Kindje te koop

Ken je dat gevoel wanneer je om iets moet lachen, schaterlachen, tranen met tuiten, maar dan, in een fractie van een seconde, gebeurt er een shift in het diepste van je ziel en verandert dat zalige gevoel van puur plezier naadloos in een akelige vorm van tristesse en zijn het niet langer tranen van geluk, maar van verdriet.

Het overkwam me gisteren. Ik maakte me klaar om een vormingsavond van toekomstige pleegouders bij te wonen, ter voorbereiding op de volgende reeks waar ik als ervaren pleegzorger de enthousiaste groep zal inwijden in het pleegouderschap. Onze pleegzoon stond me op te wachten beneden aan de trap. Zijn voelsprieten stonden op scherp want hij had al iets van pleegzorg opgevangen.

“Waar denk jij dat jij naartoe gaat, mevrouwtje?”

“Ik moet naar pleegzorg.”

“Wat moet jij daar gaan doen?”

“Ik moet met ouders gaan praten die ook een pleegkindje willen.”

“Gaan jullie mij verkopen?”, riep hij uit.

Ik schoot in de lach. Hij heeft humor, onze kleinste. Tot ik hem aankeek en de paniek in zijn wijd opengesperde ogen zag. Ik besefte dat hij doodserieus was en hoe pijnlijk dit gesprekje eigenlijk was. Het was op dit moment dat de heerlijke lichtheid die je voelt na een goede lachbui diep in mij veranderde in een zwaar gevoel van machteloosheid. Hoe hard wij ook ons best doen om hem te laten voelen dat hij bij ons gezin hoort omdat we hem ongelooflijk graag zien, hij denkt blijkbaar dat de kans bestaat dat we hem, zoals een miskoop, weer gaan inleveren. Voor ons is het vanzelfsprekend dat hij bij ons opgroeit, ooit uit huis gaat om – wie weet – een eigen gezin te stichten en dat wij oma en opa zullen zijn voor zijn kinderen. Voor hem blijkbaar niet.

Tot gisteren vond ik het belangrijk om hem duidelijk te maken dat zijn echte mama hem graag ziet, ook al kan ze niet voor hem zorgen. Dat papa C hem graag ziet, ook al is hij daar niet zo vaak als bij ons. Sinds gisteren is het mijn missie om ons ventje gerust te stellen en duidelijk te maken dat hij bij ons hoort en dat ons hart in duizend stukjes zou breken als daar ooit verandering in komt.

“Ben je daar bang voor?”, vroeg ik.

“Ja, heel erg.”, zei hij.

Ik gaf hem een stevige knuffel en wou hem niet meer loslaten.

Bron: De jongen, de mol, de vos en het paard (Charlie Mackesy)

44

Vierenveertig toertjes rond de zon. Laten we zeggen dat ik halfweg ben. Of toch bijna. 44 overwegend goede jaren. Jaren die beter en beter lijken te worden, maar ook hun sporen hebben nagelaten.

Sporen in mijn hoofd, zoals de ontelbare herinneringen waarvan sommigen haarscherp, maar velen stilaan vervagend.

Sporen op mijn hoofd, zoals de grijze haren die elke 6 à 7 weken weer te voorschijn komen. Dat vind ik niet zo erg, want het zorgt voor een glinstering wanneer de zon schijnt.

Sporen op mijn lijf. Striemen hier en daar door het voldragen van mijn kinderen. Ontelbare littekens die bewijzen dat ik niet bepaald een meisje-meisje was, maar een tomboy die in bomen klom en kattekwaad uithaalde. Bij vele littekens hoort een herinnering die ik koester. Het grootste litteken koester ik, hoewel het mijn buik danig ontsiert, maar het herinnert mij aan een oerkracht die in mij zit en die me, wanneer het nodig is, sterker maakt dan ik ooit dacht te zijn. Langs die lelijke lijn kwam mijn jongste dochter op de wereld. Tot ieders verrassing en opluchting gezond en wel.

Sporen op mijn gezicht. Rimpels die ondanks het smeren niet tegen te houden waren en me getekend hebben voor en door het leven. Het is bevreemdend soms om mezelf in de spiegel te zien, zoveel ouder dan ik me voel, maar wanneer ik dan gekke bekken trek, weet ik waar die diepe lijnen in mijn huid vandaan komen.

De lijnen in mijn voorhoofd vormden zich geleidelijk aan door regelmatig verwonderd te worden door al de mooie dingen en mensen om me heen. Verwondering voor de kleinste dingen. Verbaasd door het leven gaan, elke dag opnieuw, daar blijft een mens jong van. Jong van geest zodat het kleine kind in mij niet verloren gaat.

De diepe rimpels tussen mijn ogen, boven de neus kreeg ik door onophoudelijk en volhardend moeite te doen om sommige mensen te begrijpen. Om te begrijpen waarom mensen doen wat ze doen. Waarom sommige dingen gebeuren. Blijven volhouden om toch maar een beetje begrip te kunnen opbrengen voor die mensen die je soms met verstomming slaan.

De fijne streepjes rond mijn ogen. Ze zijn er omdat ik te vaak te lang heb gewacht om nieuwe, sterkere lenzen te kopen. Omdat ik te lang op het klein schermpje van mijn gsm heb zitten loeren. Of tot kot in de nacht naar de tv. Allemaal fijntjes afgelijnde verloren tijd.

En dan die rond de mondhoeken, die bewijzen dat ik iets te veel gelachen heb in het leven, geglimlacht naar een onbekende die ik voorbij liep op de Netedijk. Die glimlach ging soms niet weg, waardoor die nu op mijn gezicht gebeiteld lijkt, zelfs als ik niet lach. De sporen van puur genot plezier zijn duidelijk aanwezig. Mijn gezicht heeft zich naar mijn geluk gevormd, waardoor lachen tegenwoordig ook minder moeite kost.

De tijd houdt niemand tegen. Dat hoeft voor mij ook niet, want ik ben te benieuwd naar wat de toekomst nog voor mij in petto heeft. Ik ben te gretig om al dat moois in het verschiet niet mee te pikken.