Column kleurrijk: BESTE WENSEN

Het naderend einde van een periode nodigt steevast uit tot overpeinzing en reflectie, zo ook deze laatste weken van 2023. Pleegzorggewijs was het een pittig jaar voor ons, want ons ventje had het moeilijk. Thuis bleef het gelukkig doenbaar, maar buiten die veilige cocon worstelde hij met de drukte, de prikkels, het onverwachte en het onbekende.

Het was pittig, maar uiteindelijk kunnen we hoopvol afsluiten, want wat een weg heeft onze pleegzoon dit jaar afgelegd. We zagen hem veranderen van een vrolijk, onbezorgd jongetje naar een onzeker, verdrietig en boos kereltje dat vooral op school zijn intense emoties niet de baas was wanneer iets hem niet zinde, wanneer de leerstof te moeilijk was, de klasomgeving te druk of de dag niet verliep zoals hij in gedachten had. We zochten en kregen hulp bij pleegzorg waar hij nu om de twee weken op gesprek gaat bij een therapeute die ook regelmatig op school komt om hem daar weer wat rust te bieden. Daarbovenop volgde hij nog een assertiviteitstraining en focuste de kinesiste zich naast de schrijfoefeningen vooral op lichaamsbewustwording. Hij heeft dus hard gewerkt dit jaar en mét resultaat. Op school loopt alles veel beter en blijven de hevige uitbarstingen en escalaties uit. We merken thuis dat hij zich meer bewust is van zijn gevoelens en geleerd heeft het te verwoorden. Dit doet hij trouwens verbluffend goed.

Wanneer men ons dus binnenkort vraagt wat onze wensen zijn voor het nieuwe jaar, dan kan ik tegen alle verwachtingen in hetzelfde zeggen als pakweg de voorbije 25 jaar: dat alles mag blijven zoals het is. De rust is weergekeerd. Al onze kinderen zijn gezond en lijken hun draai in het leven te vinden. De twee oudsten doen steeds vaker hun ding buitenshuis, maar komen ook graag weer thuis en dragen – de ene al wat meer dan de andere weliswaar – hun steentje bij. De twee jongsten krijgen hierdoor meer aandacht en wij als ouders de rust en vrijheid waar we jarenlang alleen maar van konden dromen.

Dromen … dat doen wij graag! En dat zullen we blijven doen. Mijn voornemen is dan ook om er dit jaar weer minstens een paar waar te maken. En om onze kinderen te stimuleren en te helpen om de hunne na te streven. Zo droomt de oudste om het eerste jaar in het hoger onderwijs met succes af te ronden. Als beroepsleerlinge is dit niet evident, maar voor de harde werker die ze is, zeker haalbaar. De oudste zoon droomt ervan om eindelijk geld te kunnen verdienen, maar dan zonder er heel hard voor te moeten werken. Een studentenjob die hij graag doet en niet als werk aanvoelt wens ik hem dus toe. De jongste dochter hoopt de sterren van het dak te kunnen koken en bakken. En onze pleegzoon die hoopt nog meer rust te vinden in zijn drukke hoofdje en zo zijn vulkaan onder controle te houden. Die wens spreekt hij regelmatig uit.

Mijn man en ik? Wij blijven hopen dat alles blijft zoals het is.

Onze beste wensen voor 2024!

Anders

Ik zit op een bankje aan de Rupel. Het verkeer zat mee. Ik ben te vroeg voor een afspraak en probeer de tijd weg te dromen. Hiervoor heb ik mezelf verplicht mijn gsm in mijn zak te laten zitten, want zonder dat ding gaat er een wereld open. Dan laat ik gedachten toe die ik onbewust vermijd of lukt het me dingen op een rijtje te zetten, orde te scheppen in de chaos in mijn hoofd.

Tussen de rivier en mij groeit struikgewas waarin het krioelt van de vogeltjes. Eerst laat een roodborstje zich zien. Kort daarna komt een koolmeesje te voorschijn. Ze zitten op amper een meter van elkaar, maar lijken elkaars aanwezigheid niet op te merken. Of ze negeren elkaar. Ik sla het tafereeltje voor me gade en mijn gedachten dwalen af…

Het zijn twee verschillende vogelsoorten, maar ze lijken voor elkaar niet te bestaan, terwijl twee dezelfde vogels onderling toch communiceren. Elke vogel zingt zijn eigen lied, heeft zijn eigen kenmerkend gefluit. Kunnen die twee wezentjes die pal voor mij op een dun takje zitten te kwetteren elkaar verstaan? Maken ze contact? Of zijn het twee vreemden voor elkaar die ieder hun eigen taal spreken, elkaar niet begrijpen en elkaar dus maar negeren? Zo lijkt het alleszins.

De mens zoekt verbinding met andere soorten . We nemen een hond of een kat, zelfs een vogel die we opsluiten in een kooi, of een vis in een bokaal en proberen deze te temmen om te gebruiken wanneer we nood hebben aan gezelschap. We bestudeerden apen en leerden hen een soort gebarentaal. Waarom zou dat roodborstje in de struik tussen mij en de rivier dan doen alsof het koolmeesje niet bestaat?

Misschien is dat schouwspel voor mij slechts een momentopname. Misschien voerden die twee vogeltjes diep verborgen in het struikgewas een heuse conversatie, waren ze uitgepraat en hadden ze daarna, toen ze voor mij verschenen, niets meer tegen elkaar te vertellen. Of maakten ze verscholen voor de buitenwereld heftig ruzie en negeren ze elkaar nu heel bewust? Of lijken die twee vogeltjes toch wel heel veel op ons, mensen, en houden ze liever afstand van al wat anders is? Andere waarden en normen, een andere huidskleur? Een andere manier van in het leven staan, kortom … het onbekende.

Zo kom ik dan ook weer bij pleegzorg terecht. Is dat anders zijn één van de redenen waarom te weinig mensen de stap zetten? Andermans kind in je familie opnemen is een grote sprong in het onbekende. Het kind ziet er anders uit, heeft een andere geur, gedraagt zich anders, denkt anders. Zelf vind ik het net interessant om dat anders zijn te leren kennen, het prikkelt mijn interesse, inspireert me en opent mijn wereld, maar ook wat dit betreft is iedereen anders. En dat mag.

Het zit bovendien in onze natuur. Die angst voor al wat anders is, is evolutionair verklaarbaar. In een ver verleden was het verjagen van iedereen die niet tot de eigen groep behoorde een zaak van leven of dood. Duizenden jaren lang was de ander een potentieel gevaar wat betreft ziektes of geweld. Die angst zit er dus goed in en krijgen we er blijkbaar niet zomaar uit.

Gelukkig zijn er altijd uitzonderingen en mensen die graag buiten de lijntjes kleuren. Laten we hopen dat deze groep blijft groeien totdat we groot genoeg zijn en we die bangeriken als de grote onbekende kunnen beschouwen. Dat het onaanvaardbaar wordt om een medemens in nood niet even te helpen en op te nemen in de groep, de familie, het gezin of je thuis.

Week van de pleegzorg 2023

In het kader van de Week van de Pleegzorg vroeg een lieve dame van Het Huis van het Kind me of ik het zag zitten om pleegzorg in onze gemeente in de kijker te zetten. Zulke vragen … daar hoef ik niet over na te denken! Sinds 2013 zijn we een pleeggezin. Naast gewoon pleegmoeder te zijn van onze jongste kadee engageer ik me ook al jaren voor het promoten van pleegzorg bij het brede publiek, want het blijft een vrij onbekend thema waar hier en daar wel eens een taboe rond hangt. Zo deel ik royaal en tot vervelens toe pleegzorggerelateerde posts op sociale media, spreek ik als ‘ervaringsdeskundige’ pleegzorger op infoavonden in onze regio en schrijf ik columns voor het magazine Kleurrijk van Pleegzorg Vlaanderen dat elke pleegouder in de bus krijgt. Deze columns verschijnen ook op mijn blog ‘Leef Lach Lies’ waar ik regelmatig onze avonturen als (pleeg)gezin deel.

Ons gezin dat zijn mijn man Gert en ikzelf, Lies, met onze 4 kinderen: Marie (19), Jef (15), Josefien (13) en L (9). Nog voor we zelf kinderen hadden, vingen we elke schoolvakantie Hamza (ondertussen 24 jaar oud) uit Parijs op. Hij was lid van de Chiro in ons dorp, ging zelfs enkele keren mee op kamp en maakte de geboorte van onze eigen kinderen mee. Vele jaren later was de stap naar pleegzorg dan ook snel gemaakt. We startten met crisisopvang. Dit wil concreet zeggen dat er na een telefoontje ’s ochtends dezelfde avond nog een kindje mee aan de keukentafel zit. Deze vorm van pleegzorg was ons op het lijf geschreven: je moet heel flexibel zijn, niet al te fel gesteld op routine of dagelijkse sleur én van een uitdaging houden. We hadden de eer zo 4 kindjes op te vangen.

Zoals wel vaker gebeurt, zijn we dan naadloos in langdurige pleegzorg gerold. Een pasgeboren boeleke kwam in crisisopvang bij ons en maakt 9 jaar later nog steeds een onmisbaar deel uit van ons gezin. Je zal me niet horen beweren dat het altijd rozengeur en maneschijn is, maar het is en blijft op ontelbare vlakken een verrijking voor ons gezin. Het is wellicht niet voor iedereen weggelegd en misschien ben ik naïef, maar toch denk ik dat de meerderheid van de mensen genoeg ruimte heeft in zijn huis en hart om een kind in nood te geven wat het nodig heeft.

Waarom iemand of een gezin de sprong waagt als pleegzorger is voor iedereen anders. Wij besloten de stap te zetten omdat we ons heel bewust zijn van hoe goed we het hebben én dat dat lang niet voor iedereen zo is. We verdienen onze kost, zijn gezond en hebben familie en vrienden om op terug te vallen, indien nodig. Niet iedereen heeft zo’n vangnet. Niet iedereen heeft zo veel geluk als wij. Bovendien hopen we dat onze kinderen door het rugzakje dat elk pleegkind onvermijdelijk met zich meedraagt, beseffen dat hun doorgaans onbezorgde leventje allesbehalve een evidentie is. Of we daarin geslaagd zijn of zullen slagen, durf ik niet te zeggen, maar laat 1 ding duidelijk zijn: onze kinderen zijn in ons pleegzorgverhaal de echte helden. Het is als ouder hartverwarmend te zien hoe je kinderen steeds opnieuw schijnbaar moeiteloos en zonder nadenken hun thuis en hart openstellen voor een pleegbroertje of -zusje. Hoe ze zich al 9 jaar onvoorwaardelijk ontfermen over ons pleegzoontje en voor hem door een vuur gaan.

Het is geen evidente keuze, maar als alle mensen die – al is het maar een klein – kriebeltje voelen, de sprong durven te wagen, dan ben ik ervan overtuigd dat weinigen het zich zullen beklagen. Ik kreeg doorheen de jaren alle mogelijke redenen en terechte bedenkingen te horen om het niet te doen, maar ik heb maar één antwoord; Als er één ding is dat ik dankzij pleegzorg geleerd heb, dan is het dit: een mens kan veel meer dan hij/zij zelf denkt!

Lies

Column Kleurrijk: engagement

“Doet het jou verdriet als ik zeg dat ik mama D liever zie dan jou?”

We liggen in bed, het verhaaltje is gelezen en we keuvelen nog wat na. Hij nestelt zich zoals altijd tegen mij. Als hij kon, kroop hij in mij. Mama D spookt de laatste maanden erg door zijn hoofd. Hij praat vaak over haar en stelt veel vragen. Hij probeert zich een beeld van haar te vormen.

“Doet het jou verdriet?”

Het is een vraag die anderen mij ook vaak stellen, dus ik had er al wel over nagedacht. Ik had een antwoord klaar.

“Neen, het doet mij geen verdriet. Ze is jouw mama, het is heel normaal dat je heel veel van haar houdt. En ik weet dat je ook van mij houdt, dat is genoeg voor mij.”

Ik zeg dit niet om hem te sussen. Ik zeg het heel oprecht. Het raakt me niet, want het ventje laat me elke dag opnieuw zien dat hij me graag ziet. Dat ook ik zijn mama ben.

“Als ik nog eens boos ben en zeg dat ik jou niet leuk vind of dat ik deze familie niet leuk vind, dan meen ik dat echt nooit! Nooit, hé, mama.”

Dit raakt me wel. Omdat ik besef hoe bewust dit achtjarig manneke zich is van zijn eigen gedrag en de gevolgen ervan. Weer iets waar hij zich zorgen over maakt en waar hij achter de schermen druk mee in de weer is. Tegelijk besef ik ook dat we al een hele weg hebben afgelegd. Er moest iets veranderen, want zijn gedrag buiten het veilige coconnetje van ons gezin werd moeilijker en moeilijker. Hij heeft al grote stappen gezet dankzij een heel team dat zich samen met ons wil inzetten om hem te helpen een weg te vinden in de chaos in zijn hoofdje. Zijn echte papa en grootouders, de school, de opvang, onze pleegzorgbegeleidsters, zijn therapeut en kinesiste tonen keer op keer door hun inzet en engagement dat ze hem de moeite waard vinden.

It takes a village …

Het raakt me. Omdat ik besef dat niet alleen wij als pleegzorgers het engagement aangaan om hem te geven wat hij nodig heeft. Wij beslisten om pleeggezin te worden, maar ook de mensen rondom ons moeten mee op de kar springen. Als ze de sprong wagen, gaan ze ook een deel van het engagement aan. Durven, kunnen of willen ze niet, dan gaat onze kar verder zonder hen. Alle begrip, want het is niet niks om een kind met een zware rugzak in je hart te sluiten. Het is niet evident, maar wel de moeite waard.

Hij zal je graag zien, maar vaak duwt hij je weg. Hij zal je aandacht vragen op een verkeerde manier. Je zal soms wijselijk een stukje van je tong moeten bijten. Je zal begrip moeten tonen, vertrouwen moeten hebben en op moeilijke momenten blijven geloven dat het goed komt. Je zal het kind graag moeten blijven zien, ook als hij/zij dit niet vanzelfsprekend maakt.

Het is eigenlijk heel simpel: als je het pleegzorgavontuur aangaat, engageer je je tot onvoorwaardelijke liefde. En ook al lijkt het niet altijd zo, je krijgt het dubbel en dik terug.

Column Kleurrijk: Min of meer

Ik hou niet van wiskunde. Mijn maag draait nog steeds om wanneer ik het huiswerk van mijn kinderen bekijk. In het middelbaar heb ik me erdoor gesparteld, omdat het moest. Ik heb me altijd afgevraagd waarom wiskunde zo onoverkomelijk moeilijk is voor mij. Ik kán studeren. Nooit tweede zit gehad tijdens mijn opleiding vertaler/tolk. Geef me boeken vol tekst, ik krijg het verwerkt. Maar laat me geen formules instuderen of toveren met getallen … Het lukt me niet.

Mijn talenknobbel zal er wel iets mee te maken hebben, maar ook mijn natuurlijke aanleg tot het ‘tussen de regels lezen’. De dingen graag op mijn eigen manier bekijken, anders verwoorden en uiteindelijk een beetje naar mijn hand zetten. Dat gaat niet met wiskunde. Er is geen ruimte voor interpretatie noch discussie. Het is wat het is. Correct of fout.

Een verhaal daarentegen kan je herschrijven zonder dat je de boodschap verandert. Een woord of zin kan je naar een andere taal vertalen, maar bijna elk woord heeft een synoniem dus er zijn meerdere opties. Wanneer je het echt niet weet, kan je een beschrijving geven waardoor men weet wat je min of meer bedoelt. En op school geeft een leerkracht die van goede wil is, je nog een deel van de punten als blijk van bewondering voor je creativiteit en plantrekkerij.

Min of meer … daar gaat het om. Ik ben rap content. Min of meer is meestal genoeg voor mij. Ik heb graag nog wat ruimte om zelf in te vullen. Wanneer het dan niet helemaal naar mijn zin is, kan ik er nog wel een draai aan geven zodat het beter in mijn kraam past. Sommigen zullen het gemakzucht noemen en ik kan hen ook geen ongelijk geven. Ik maak de dingen nu eenmaal liever niet moeilijker dan ze zijn.

En zo heb ik dan genoeg gepalaverd om van wiskunde, via de taal bij pleegzorg terecht te komen. Ik hoef niet persé alle puntjes op de i. Dit is een eigenschap die als pleegzorger van pas komt. In een doorsnee gezin loopt zelden iets zoals gepland, laat staan in een pleeggezin. Een (pleeg)gezin runnen is geen exacte wetenschap, er is doorgaans geen foute of juiste manier. Je doet dit volgens mij best op het gevoel.

Zijn mijn kinderen gelukkig? Zijn we als ouders gelukkig? Wat hebben mijn kinderen nodig? Welke aanpak werkt bij de ene, maar niet bij de andere? De antwoorden op deze vragen zijn niet eenduidig. Ze kunnen verschillen van persoon tot persoon, van dag tot dag. Dit kunnen aanvaarden en bereid zijn om flexibel mee te evolueren met de noden van je gezin, maakt het leven er een pak makkelijker op, denk ik.

Het hoeft niet allemaal van een leien dakje te lopen. Een min of meer vlotte gang van zaken is meer dan voldoende. Zo ook hoeven de kinderen die je opvoedt niet persé 100% van jou te zijn. Wanneer ze min of meer de jouwe zijn, is dat misschien meer dan voldoende om ze de liefde en warmte te geven die ze zo nodig hebben.

In ons gezin bijvoorbeeld is drie vierde 100% van ons. Wiskundig gezien is dit 75%. Dit heb ik trouwens helemaal zelf uitgerekend. Met de regel van 3.

Bron: Geogebra.org

Column Kleurrijk: Met mijn mond vol tanden

Voor het eerst in bijna 8 jaar – zo lang is onze pleegzoon bij ons en zo oud is hij ook – sta ik met mijn mond vol tanden. Ik weet echt niet wat te zeggen, hoe te reageren.

“Waarom heeft mama D mij gedumpt?”

Gedumpt. Ons ventje denkt dat hij zoals het grof huisvuil op straat werd gezet.

Deze vraag, heel concreet, moet ik even laten bezinken. Tegelijk vallen de puzzelstukjes in elkaar. Zijn moeilijkere gedrag de laatste weken thuis, op school, in de kinderopvang. Slechter eten, slechter slapen … Met deze vraag geeft hij het antwoord. Mijn gedachten draaien op volle toeren, net zoals de zijne blijkbaar, al langere tijd.

Wat moet ik zeggen om die negatieve gedachte uit zijn hoofd te krijgen? En snel, want hij blijft me aankijken met een vragende, haast dwingende blik. Ik slik de krop in mijn keel weg, neem diep adem en doe een poging.

“Mama D heeft jou niet zomaar gedumpt. Ze wou eerst zeker weten dat een ander gezin goed voor jou kon zorgen. Ze heeft L van pleegzorg gebeld en pas toen ze wist dat je bij ons kon komen wonen, is ze weggegaan.”

Zoals altijd wekt elk antwoord weer een nieuwe reeks vragen op. “

“En heeft ze mij daarna nooit meer willen zien? Kan ze nog altijd niet voor mij zorgen? Kan ik later wel bij haar gaan wonen? Heeft ze nog andere kindjes? Wonen die wel bij haar? Waarom … ? Wanneer … ? Hoe … ?

Vraag per vraag, antwoord per antwoord probeer ik hem te kalmeren. Tevergeefs, want elk antwoord doet hem in tranen uitbarsten. Elk antwoord brengt hem nog meer in de war. Hij duwt me weg en zegt dat hij mama D wil. Hij wil bij haar zijn.

“Heb je haar telefoonnummer? Dan kan ik haar bellen en zeggen dat ik van haar houd, want dat weet ze nog niet.”

Slik. Hoe graag ik ook zou willen, dit kan ik niet zelf beslissen. Ik schuif de verantwoordelijkheid van me af en zeg dat we dat aan L van pleegzorg en papa Chel moeten vragen. Dit antwoord geeft hem hoop en brengt hem eindelijk een beetje rust.

Ondertussen heb ik ook het fotoboekje bovengehaald met die ene foto van hem en mama D. Er staan 100 foto’s in, maar alleen die met zijn mama interesseert hem. Hij kijkt en kijkt en valt uiteindelijk in slaap met het boekje op zijn borstkas stevig vastgeklemd. Wanneer ik zeker ben dat hij diep genoeg slaapt, verhuis ik naar mijn eigen bed, want ondertussen is het zelfs voor mij al ver voorbij bedtijd.

‘s Ochtends maak ik hem wakker. Een hele karwei na zo’n kort nachtje. Hij sputtert tegen, kruipt weg onder het donsdeken, zeurt, wordt boos én blijft boos. Ik had niks anders verwacht na zijn vragen en verdriet van gisteren, maar toch vraag ik hem waarom hij zo kwaad is. Met grote verontwaardiging zegt hij: “Altijd wanneer het kei spannend is, maak jij mij wakker.”

Ik lach. Dit was niet het antwoord dat ik verwachtte, maar het stelt me wel gerust. Niet alles wat hij doet, zegt of voelt moet herleid worden tot zijn pleegzorgverhaal. Soms is hij ook gewoon kwaad omdat mama hem wakker maakt op het spannendste moment van zijn droom …

Column Kleurrijk: Het is wat het is

Ik staar hem aan en neem elk detail in me op. Zijn lange wimpers, zijn fijn neusje, zijn mond die half open is, zoals altijd wanneer hij slaapt. Hierdoor zie je zijn tanden die nog een hele weg voor de boeg hebben. Zijn droge huid van de dagelijkse zwempartijtjes. Het putje naast zijn linkeroog waarvan we nog steeds niet weten hoe het er komt. Ik hoor het zachte gesnurk waaruit ik na bijna acht jaar kan afleiden hoe erg het al dan niet gesteld is met zijn allergieën.

Ik kijk en blijf kijken. Hoe raar is het toch dat hij niet van ons is. Het ene moment zie ik ook effectief een ‘vreemd’ kind waarin ik dingen opmerk die ik niet herken. Het andere moment voelt wat ik zie zo vertrouwd. Ik zie hem graag. Punt. Maar dan komen de vragen … Zie ik hem even graag als mijn eigen kinderen? Mag ik hem wel zo graag zien? Duizend en één vragen passeren de revue …

“Niet doen, Lies. Niet te veel over nadenken.” roep ik mezelf weer tot de orde. Dat lukt, want niet te veel nadenken over sommige dingen is één van mijn specialiteiten.

Het is wat het is.

Het gevoel verontrust me niet echt, want ik herinner me dat ik net zo naar mijn andere drie kinderen lag te staren. Vooral bij de oudste – mijn eerstgeborene – leek het allemaal zo onwezenlijk. Hoe kan het in godsnaam dat ik zo’n prachtig wezentje op aarde heb gezet? Ze was – en ís nog steeds – te mooi, te perfect om van mij te zijn. Uiterlijk lijkt ze als twee druppels water op haar vader. Misschien veroorzaakte het gebrek aan herkenning dat moeilijk te omschrijven gevoel. Want ook bij ons pleegzoontje ontbreken uiteraard die uiterlijke kenmerken.

Gelukkig wordt het gebrek aan uiterlijke gelijkenissen ruimschoots gecompenseerd door karaktertrekjes en dergelijke. Je weet wel, hun manier van praten, wandelen of eten. De blik in hun ogen of de dingen die ze zeggen. Ze houden je vaak een spiegel voor en dat kan confronterend zijn, maar evengoed bewijst het dat ze ontegensprekelijk bij mij horen, ongeacht door wie ze op de wereld zijn gezet.

Zo waren we onlangs met de kleinste in de frituur. Mijn man en ik stonden rustig te wachten in de rij, terwijl onze kleinste non-stop vertelde en 101 vragen stelde. De klant voor ons begon te lachen en zei: “Hij kan het goed uitleggen! Van wie heeft hij dat?” Mijn man en ik keken elkaar stilzwijgend aan en schoten in de lach. Gelukkig verwachtte de man geen antwoord, alsof hij begreep dat het soms niet nodig is om alles te weten of tot op het bot te analyseren.

Het is wat het is.

Column Kleurrijk: pleegproblemen

“Ik heb hier hoofdpijn”, zegt onze jongste. Hij duwt met de wijsvinger op zijn schedel, net boven zijn voorhoofd. “Ik denk dat mijn hersens op de trampoline aan het springen zijn.” voegt hij er nog aan toe. Ik barst in lachen uit, maar vind het bovenal bewonderenswaardig dat hij een ‘gevoel’ zo waarheidsgetrouw kan verwoorden.

We zijn er hier thuis nu ook wel mee bezig, want ons ventje schijnt problemen te hebben met ‘emotieregulatie’. Thuis is dat naar ons gevoel niet zo’n probleem, maar op school loopt het soms uit de hand.

Het gaat dus niet goed op school. Het kost hem te veel moeite om mee te draaien in de klas waardoor hij op de toppen van zijn tenen loopt. Hij haat school en al wat hij daar moet doen. De spanning, stress en tegenzin hebben een onvermijdelijke invloed op zijn gemoed. Zijn emoties laaien hoog op en slaan bovendien alle kanten uit. Een duidelijk signaal dat er heel wat omgaat in dat kleine lijfje.

Hij is er zich heel bewust van dat hij soms over de schreef gaat, al weet hij niet altijd om welke emotie het gaat. Verdriet, ergernis, stress, angst, … het uit zich helaas meestal in boosheid. Het zijn signalen die ons zoals zo vaak weer met onze voeten op de grond zetten, want volgens onze begeleidster van pleegzorg is dit typisch gedrag voor kinderen met een trauma en/of hechtingsstoornis.

Juist ja, onze kleinste is een pleegkind. Dat waren we bijna weer vergeten …

Tijdens de frequente overlegmomenten op school en met pleegzorg besef ik hoe het me toch blijft raken. Mijn gemoed schiet vol wanneer ze het over een kind hebben dat ik niet herken. Thuis is hij lief, veel rustiger, op zijn gemak. Dat is goed, hoor ik dan iemand zeggen. Dat betekent dat jullie zijn veilige haven zijn, bij jullie komt hij tot rust. Het beurt me enigszins op, want daarvoor ga je initieel het pleegzorgavontuur aan: een kind in nood, veiligheid en rust bieden.

Helaas moet hij ook leren om zich staande te houden buiten de veilige cocon van ons gezin. Hij vraagt een specifieke aanpak. Traumasensitief opvoeden is hier het sleutelwoord. Er moeten dus wat meer eieren onder gelegd worden. Geen probleem voor ons, maar niet altijd makkelijk uit te leggen aan de omgeving, merken we. Een hele uitdaging!

Gelukkig staan we er niet alleen voor. Ons gezin is groot én sterk. Onze andere drie kinderen begrijpen het, kennen hem en nemen het voor hem op. Ze zien hem graag. De school springt zonder boe of ba mee op de kar en is vragende partij om te leren hoe ze hem best aanpakken. Ze zien hem graag. Zijn echte papa is er ook. Hij luistert, toont interesse en probeert zijn steentje bij te dragen. Hij ziet hem graag. En pleegzorg staat klaar om aan al deze vragen en behoeftes tegemoet te komen. De huisbezoeken worden frequenter, vormingen worden aangeboden en een traject opgestart.

Ik heb geen glazen bol, maar wel goede moed. Het komt goed met ons ventje. Zoals altijd komt het goed …

Bron: minddistrict.com

Arrebol

“Wauw, mama, kijk hoe mooi de lucht is.” Mijn hart maakt een sprongetje. En vervolgens een dubbele salto wanneer een stemmetje “Oh ja, echt práchtig!” toevoegt. We zitten in de auto op weg naar school. De jongste dochter naast mij. De jongste zoon achterin. De lucht kleurt inderdaad prachtig roze, zelfs een beetje paars.

“Jouw lievelingskleur, mama.”

Eindelijk, denk ik bij mezelf. Ein-de-lijk is het gelukt om mijn kinderen de schoonheid rondom zich te laten zien. De schoonheid der simpele dingen. Bij de oudste twee lijkt die missie minder geslaagd. Wanneer ik hen wijs op een mooie wolkenformatie of op de maan die als een enorme witte bol aan de hemel staat, kijken ze even op van hun scherm en mompelen iets dat als een bevestiging kan geïnterpreteerd worden. Onze pubers zitten zo opgesloten in hun eigen wereldje dat al die pracht en praal aan hen voorbij gaat. Jammer vind ik dat.

Het heeft me dus twee kinderen ‘gekost’ om mijn doel te bereiken. Misschien is het omdat ik nu ouder ben, beduidend rustiger en daardoor zélf meer oog heb voor al het schoons dat de aarde en het leven te bieden heeft én hen er ook op wijs. Toch één ding dat ik opvoedingsgewijs voor elkaar gekregen heb, want oprommelen, de lichten doven en de deuren achter zich sluiten, zijn dingen die ik hen tot op heden nog niet heb kunnen aanleren. De afwasmachine leeg maken én ook weer vullen met het vuile gerief dat op het aanrecht staat. Het gaat er bij hen niet in. Schoenen uitdoen en jas aan de kapstok evenmin. Soit, ik wijk af.

Het is grappig dat onze zevenjarige, die voor de rest een vrij beperkte woordenschat heeft, vlotjes woorden als verrukkelijk, prachtig en adembenemend uitspreekt. Hij ziet schoonheid en benoemt het. Net als onze jongste dochter. Zij denkt in beelden en kan ze ook heel gedetailleerd beschrijven. Wanneer ze dan (soms iets te) uitgebreid vertelt, komt die schoonheid bovendrijven en wordt duidelijk dat ook zij het mooie in de dingen herkent.

De oudste zoon heeft ADHD waardoor heel veel zaken aan hem voorbij gaan. Hij raast door het leven aan zo’n immens tempo dat veel voor hem verloren gaat. Hij komt vaak uit de lucht gevallen wanneer hij iets te weten komt dat we nochtans binnen ons gezin besproken hebben. Hij is aanwezig, maar sommige dingen dringen niet tot hem door. Zo merk ik dat de simpele, maar zo mooie details hem niet opvallen. Laten we hopen dat zijn kijk met het opgroeien verruimt en hij ook leert genieten van die kleine details die het leven kleur geven.

De zeventienjarige dochter is een twijfelgeval. Ze lijkt de schoonheid van de kleine dingen niet op te merken. Op het eerste zicht besteedt ze er weinig aandacht aan. Wanneer ik dan op haar Instagram een foto zie verschijnen van een prachtige zonsondergang, weet ik dat ze het wél ziet, maar er gewoon geen woorden aan vuil maakt.

Dit alles bedenk ik me. Op een doordeweekse dinsdag op weg van school naar kantoor. Dankzij de paarse lucht waar mijn twee jongste kinderen me op wezen terwijl ik in mijn hoofd al een to-do-lijstje aan het opstellen was voor de werkdag die nog moest beginnen. Dankbaar dat ik dankzij die twee kleine koters enkele minuten heb genoten, voldoende om de dag met een glimlach aan te vatten.

Wist je dat er in het Spaans een woord bestaat voor de lucht die roodachtig kleurt door de zon? Arrebol, zo noemen ze het. Echte levensgenieters, die Spanjaarden. Adiós!

Lie(f)s