What’s in a name

“Ik ben Lau Van Herck, want mijn zus heet Josefien Van Herck.”

Totaal onverwacht werden we wakker geschud. Ik moest even slikken, het laten bezinken. Uit het niets werden we met onze neus op het feit gedrukt dat we in een  volgende fase zijn aanbeland. Dat onze kleinste man zonder het te weten een hele grote stap had gezet.

Het zat er nochtans aan te komen. Hij wordt ouder – vijf bijna – en zijn wereld wordt groter. Hij ervaart de dingen en mensen rondom hem, zijn leefwereld als vanzelfsprekend terwijl het dat allesbehalve is.

“Ik ben Lau Van Herck”

Een schijnbaar onschuldig zinnetje, maar voor ons een teken dat hij besef krijgt van zijn eigen identiteit. Hét teken dat we binnenkort heel wat uit te leggen hebben.

Tot nu was hij dus gewoon Lau, meer niet. Door de complexe omstandigheden bij zijn geboorte kreeg hij de naam van een man die geen enkele band met hem had en samen met de moeder al snel uit zijn leven verdween. We zijn die familienaam dan ook altijd bewust een beetje uit de weg gegaan. Zijn ‘echte’ papa is er al lang mee bezig om de naam te veranderen, maar dit is niet zo simpel en vraagt tijd. Tijd die we nu plots niet meer lijken te hebben.

Iedereen heeft een naam. We staan niet stil bij het belang van onze naam, die hoort en past bij ons. Die bepaalt wie jij bent, voor jezelf maar ook voor anderen. Je familienaam vertelt je waar je vandaan komt, waar je wortels liggen, bij wie je hoort. Wat doet het met een kind als hij beseft dat zijn afkomst en de familie die hij als de zijne beschouwt niet dezelfde zijn? Dat zijn wortels niet bij ons liggen en dat de familienaam die hij – voorlopig nog – draagt niet staat voor wie hij is?

Er zullen heel wat vragen komen en we moeten samen met hem de ingewikkelde knoop ontwarren. Dat hij niet zoals zijn broer en twee zussen uit mijn buik geboren is, dat weet hij ondertussen wel. Dat er twee papa’s zijn, daar heeft hij vrede mee. Waarom dit zo is en welke onbekenden nog mee deel uitmaken van zijn roots, dat is niet zo’n mooi verhaal waarvoor we hem liefst zo lang mogelijk wilden en konden beschermen. Tot nu …

Nog minder dan in het gewone leven, heb je in de pleegzorgwereld niet alles in de hand. De jeugdrechter, consulenten, begeleiders, ouders en de kinderen zelf houden je regelmatig met de voetjes op de grond. Dat maakt het er zeker niet makkelijker op en soms is het ronduit vervelend, maar al bij al maakt het ons leven vooral boeiend en uitdagend.

Ook hier komen we wel weer uit. We kunnen niet meer doen dan er voor hem zijn als dat nodig is en ervoor zorgen dat hij zich deel van ons gezin voelt en blijft voelen.

Hoe ons ventje ook heet, hij hoort bij ons.

Helse nachten

Je zou denken dat je bij het vierde kind wel weet hoe je moet opvoeden. Niets is minder waar. Bij elk kind doemen nieuwe problemen op, bij elke leeftijd word je geconfronteerd met andere issues, bij elke verandering spelen onverwachte zorgen op.


Zo zijn we nu met onze kleinste in een onbekende opvoedingssituatie beland. Hij wil niet meer slapen. Punt, komma, andere lijn.

Tot voor enkele weken legde ik hem in bed, viel hij in slaap en werd pas de volgende ochtend of zelfs middag wakker. Een goede slaper noemen ze dat. En plots kwam daar verandering in. Hij wil niet blijven liggen, begint te roepen en te tieren. Tot overmaat van ramp heeft hij ook ontdekt dat hij zelf uit het bed kan klimmen.

De eerste avond met zo’n zenuwslopende scène probeerde ik het nog op te lossen door hem op mijn schoot te nemen, te troosten, begripvol te zijn. Yeah right! Dat maakt het dus alleen maar erger. Natuurlijk ligt hij liever op mijn schoot te baden in mijn liefde en warmte dan in zijn eigen koude, donkere bedje.

De volgende avonden dan maar de goede raad van de nanny op tv opgevolgd, want dit werkte perfect bij onze andere zoon: geen oogcontact, niets zeggen, kordaat weer in zijn bed leggen … keer op keer … op keer op keer … op keer …

Wat een koppig kind hebben wij! Een uur ging voorbij waarin hij constant uit zijn bed kwam. Hoeveel energie kan een kind van 2,5 hebben? Met slaapzak en al stond hij op welgeteld 10 seconden weer naast zijn bed. In het begin gaf ik hem de kans niet om uit het bed te kruipen, maar omdat het er niet naar uitzag dat hij snel zou opgeven, veranderde ik mijn strategie. Ik zou hem uitputten, afmatten tot hij niet meer kon. Dat werkte, op den duur gaf hij zich gewonnen en bleef hij liggen, maar schijn bedriegt.

Wanneer ik dacht dat hij eindelijk sliep en zelf in bed kon kruipen, stak hij zijn hoofdje omhoog. Als hij mij zag, ging hij weer liggen. Zag hij mij niet, dan begon het allemaal van voor af aan.  Even gerust, weer klaar om er vol tegen aan te gaan. Soms viel hij wel in slaap, maar werd hij na een paar uur weer wakker en speelde hetzelfde scenario zich opnieuw af.

Er waren avonden dat dit spelletje ruim twee uur duurde. Om gek van te worden. Er waren nachten dat ik totaal uitgeput moest vechten tegen mijn tranen. Dat ik diep in mij dingen voelde die ik niet durf neerschrijven. Enkele nachten van dat kaliber kan een mens wel aan, maar na 7 nachten ben je zo moe dat je jezelf al slapend met het voorhoofd tegen de deurstijl betrapt.

Gelukkig heb ik ook nog een vent die het na 5 nachten niet meer kon aanzien en zichzelf mee in de strijd wierp. Zijn ‘hardere’ aanpak in combinatie met het schrappen van de middagdutjes en het laat opblijven doen vermoeden dat het einde in zicht is. De scènes worden korter en hij slaapt af en toe weer eens een hele nacht door, al wordt hij ’s ochtends nog te vroeg wakker en lukt het zelden om hem dan nog terug in slaap te krijgen.

Maar ach, de wallen onder mijn ogen zijn alweer een beetje kleiner geworden en we hebben opnieuw een paar gezellige avondjes met twee gehad, mijn vent en ik. Vroeg opstaan heeft ook zo zijn voordelen: er is al heel wat werk verricht wanneer de rest van het gezin uit bed strompelt. En dat kleine ettertje, dat is zelfs om vijf uur ’s ochtends om op te eten.