Lies Scheers (46) is getrouwd met Gert en heeft vier kinderen, onder wie een pleegzoon. Ze deelt haar leven als (pleeg)moeder in Kleurrijk, het magazine van Pleegzorg Vlaanderen, op haar blog leeflachlies.com en nu ook in Libelle.
“We liggen samen in bed, dicht tegen elkaar. Ik lees voor en hij luistert aandachtig, maar ik word gek van zijn gewriemel. Wanneer ik vraag waarom hij in godsnaam niet stil kan blijven liggen, zegt hij dat zijn billen jeuken en steeds moet krabben. Wanneer ik vraag of ik even mag kijken, krijg ik een vastberaden nee. Ik schrik en vraag waarom niet. Ik probeer hem duidelijk te maken dat ik dat vroeger bij grote broer Jef ook deed.
Zijn antwoord brengt me van mijn melk. ‘Ja, maar Jef is jouw echte kind.’
Terwijl hij dit zegt, kijkt hij mij zijdelings aan. Om mijn reactie te peilen, vermoed ik. Ik lach zijn opmerking weg en probeer hem van het tegendeel te overtuigen.
‘Voor mij ben jij wel mijn echte kind.’
Hij giechelt verlegen, laat zijn broek zakken en stelt zijn bips ten toon. Eczeem, zoals ik al dacht.
Het lijkt banaal, maar zulke momenten betekenen veel voor mij. De gedachte dat hij niet echt ons kind is, is nooit ver weg in dat hoofdje van hem. Biologisch gezien is hij inderdaad niet ons kind, maar zijn gevoel zegt iets anders. En dat weet ik door wat er net gebeurde. Ik mag er zelfs een zalfje op smeren.”
Lies Scheers (46) is getrouwd met Gert en heeft vier kinderen, onder wie een pleegzoon. Ze deelt haar leven als (pleeg)moeder in Kleurrijk, het magazine van Pleegzorg Vlaanderen, op haar blog leeflachlies.com en nu ook in Libelle.
“L., onze pleegzoon, neemt mijn gsm en begint door de foto’s te scrollen. Plots zie ik hem bedenkelijk kijken. Hij toont me een foto van vorig weekend op een feestje. We staan er met zijn allen lachend op, zonder hem. Verontwaardigd vraagt hij waar hij toen was. Ik leg hem uit dat hij dat weekend bij Papa C. was. De uitdrukking op zijn gezicht verraadt dat zijn hoofd op volle toeren draait. Het lijkt alsof hij door die foto plots beseft dat het leven hier thuis gewoon verder gaat, ook wanneer hij er niet is. Hij maakt me heel duidelijk hoe oneerlijk hij het vindt dat wij leuke dingen doen zonder hem. Een duidelijk geval van FOMO dus. Ik snap hem wel, want ook ik heb het er soms moeilijk mee. Telkens als we iets leuks gaan doen of een gezinsfoto nemen zonder hem, voelt het niet juist. Hij is een pleegkind, maar na ruim tien jaar hoort hij erbij. Ik heb hem van de materniteit mee naar huis gebracht en de nachtelijke voedingen en luiers doorstaan, terwijl ik de volgende dag gewoon moest gaan werken. Hij is mijn kind niet, maar ik deed het toch. Toen al met een liefde die sindsdien alleen maar groter én godzijdank wederzijds werd.”
Het is moeilijk om iets te schrijven rond het thema van deze Kleurrijk. Ik ben me er erg van bewust dat elke pleegzorgsituatie anders is en niet altijd zo positief uitdraait als de onze.
We hadden al 3 kinderen voor we aan pleegzorg begonnen. Het valt me altijd zwaar om te schrijven of spreken over onze ‘eigen’ kinderen. Het benoemt de situatie in ons gezin zoals het is, maar niet zoals het aanvoelt. En ik heb nu eenmaal de neiging meer met mijn hart te denken dan met mijn verstand.
Ik worstel vaak met de vraag wat het verschil is met onze eigen kinderen. Is er überhaupt een verschil? Gevoelsmatig kan ik daar heel duidelijk in zijn en zeg ik volmondig nee. Ik zie Lou even graag als de andere drie. Maar wanneer ik het rationeler bekijk, is er een verschil. Hij is er soms niet bij op momenten die belangrijk zijn voor ons gezin omdat hij bij zijn ‘eigen’ papa is. Hij wordt dan gemist, maar iedereen heeft er vrede mee. Het is nu eenmaal zijn en onze realiteit. Het kan zo, omdat hij onze pleegzoon is en niet ons ‘eigen’ kind.
Ik ben er zo goed als zeker van dat ook onze kinderen hem beschouwen als hun ‘eigen’ broer. Dat hij als pasgeboren baby in hun leven kwam en bleef, heeft hier natuurlijk veel mee te maken. Hij verstoorde de volgorde niet en sloot probleemloos bij aan in het rijtje. Hijzelf heeft nooit anders geweten dan deel uit te maken van ons gezin. Hij maakt ruzie met de jongste dochter. Hij werkt enorm op de zenuwen van de oudste zoon. Hij wordt rotverwend door de oudste dochter.
Klinkt als een doorsnee gezin, toch?
Nochtans ervaar ikzelf ons gezin niet als doorsnee, maar welk gezin is dat wel? Ok, wij zijn een pleeggezin en dat brengt soms problemen met zich mee. Maar als ik naar nieuw samengestelde gezinnen in onze omgeving kijk, dan merk ik dat het daar ook niet altijd van een leien dakje loopt. Net zo bij eenoudergezinnen. Of standaardgezinnen, wat dat dan ook moge zijn.
Ieder gezin is uniek ongeacht de samenstelling. Mijn ervaring leert me dat de buitenwereld er meer bij stil staat, dan de gezinsleden zelf. We zijn een pleeggezin, maar onze pleegzoon is van bij de geboorte bij ons waardoor we hem beschouwen als onze eigen zoon. Dit is uiteraard anders voor een gezin waar de pleegkinderen er op latere leeftijd bij kwamen. We zijn een gezin met vier kinderen en hebben een manier gevonden om min of meer in vrede samen te leven. Wat werkt voor ons, werkt niet voor een ander. Het maakt allemaal niet uit. Het voelt zoals het voelt. Het is zoals het is.
Hip hip hoera! Het pleegzorgdecreet en Pleegzorg Vlaanderen bestaat 10 jaar. Toeval bestaat niet, maar onze pleegzoon ook. Hij wordt in november 10 en in december is hij 10 jaar bij ons. Een decennium. Een jubileum. Feest!
Wat er zich achter de schermen allemaal heeft afgespeeld, daar heb ik geen flauw benul van. Ik was te druk bezig met het moederen over vier kinderen. Het is af en toe pittig geweest. De constante aanpassing aan nieuwe, uitgebreide bezoekregelingen bijvoorbeeld, liet vaak tijdelijk zijn sporen na: net wanneer je dacht een aangenaam evenwicht bereikt te hebben, moest er weer rond de tafel gezeten worden. Het was steeds opnieuw een les in meegaan met iets waar je zelf niet om gevraagd hebt. Met tegenzin, maar omdat het moet en omdat je diep van binnen weet dat dit het beste is voor het kind.
Het is vooral ook heel leuk geweest. Elk jaar zijn verjaardag mogen vieren. Hem zien opgroeien, zijn eerste stapjes, zijn eerste woordjes, … dingen herkennen in hem van jezelf, je man of van je andere kinderen. Andere dingen dan weer niet kunnen thuis brengen. Ik stond vaak met grote ogen te kijken naar zijn veerkracht en aanpassingsvermogen. Hoe moet het zijn om steeds maar weer uit je vertrouwde cocon te worden gehaald om ergens anders tijd door te brengen? En wanneer je je daar een beetje op je gemak voelt, moet je weer terug.
Het was en is soms moeilijk om hem te zien worstelen met zijn uitzonderlijke situatie. Een antwoord geven op zijn vragen, was en is een uitdaging. Waarom woon ik bij jullie? Waar is mijn mama? Wat als ik niet bij jullie kan blijven? … Het schenkt een enorme voldoening wanneer je merkt dat je hem – voor een tijdje – kan kalmeren en geruststellen. Het geeft een moeilijk te omschrijven gevoel wanneer je de veilige haven bent van andermans kind. Er ligt een hele dunne grens tussen de harde realiteit verbloemen en de dingen benoemen zoals ze zijn.
Als moeder is het vooral heel mooi om je andere kinderen in die 10 jaar te zien groeien in hun rol als (pleeg)broer of -zus. Ook zij moesten zich willens nillens aanpassen aan de steeds veranderende realiteit rond hen. Ze hebben daar nooit moeilijk over gedaan, integendeel. Ze gaan door het vuur voor hun pleegbroertje. Dat maakt van mij een fiere moeder.
En laten we vooral de vaders in dit verhaal niet vergeten. Het zijn er twee. Papa C heb ik in die jaren zien evolueren van een onzekere tot een vastberaden vader die het beste voor zijn kind wil en een steeds grotere rol in zijn leven wil spelen. Onze papa is er ook nog. Die staat al 10 jaar lang als een rots in de soms woelige zee te wachten tot hij telkens weer een veilig plekje kan bieden middenin de woeste golven.
10 jaren zijn voorbij gevlogen. Het liep niet altijd van een leien dakje, maar pleegzorg was er steeds om ons bij te staan. Soms was dat slechts een babbeltje waarin we ons hart eens konden luchten. Soms was er meer nodig en schoot een heel team in actie. Dat maakt dat het wat ons betreft 10 hele mooie jaren waren waarin elke hindernis vlotjes genomen werd.
Schrijven over verlies. Dat was de opdracht voor deze column. Niet makkelijk, geen inspiratie. Maar zoals zo vaak hielp het lot een handje. Helaas, want kort voor de deadline van deze column moesten we, na bijna 10 jaar, afscheid nemen van onze hond Lola. Lola kwam er een maand voor Lou, onverwachts, in ons gezin kwam en uiteindelijk ook bleef. Ze groeiden dus samen op, ondanks de zware allergie die Lou heeft voor honden. En katten. En alle andere dieren met haar.
Wanneer we op vakantie vertrokken, huilde Lou steevast tranen met tuiten omdat we onze hond moesten thuis laten. ‘Wie gaat er nu voor Lola zorgen? Ik ga haar zo missen! Wat als er ondertussen iets met haar gebeurt?’ We kregen hem gelukkig snel getroost, maar het het gemis stak enkele dagen later gegarandeerd weer de kop op. Opmerkelijk was dat vroeger het verdriet om Lola meestal overging in het verdriet om zijn mama die hij niet kent, nooit gekend heeft en toch heel erg mist. Dit is en blijft voor hem een groot verlies.
Al heeft hij de afwezigheid van zijn mama, zo lijkt het, de laatste jaren een plaatsje kunnen geven, we merken dat het een gevoelig thema is, wanneer mijn moeder weer voor langere tijd naar het buitenland vertrekt. Lou is dan altijd boos en weigert afscheid van haar te nemen. Hij vindt het absoluut niet kunnen dat mijn eigen moeder mij zomaar achterlaat. Het is schattig hoe hij het voor mij opneemt en met mij in zit, maar de achterliggende reden van zijn gedrag maakt het allemaal een beetje pijnlijk.
Het einde van het schooljaar ging ook dit jaar gepaard met de nodige traantjes. Afscheid nemen van zijn klas, de juf, zijn vriendjes … het valt hem zwaar. Hij is bang dat ze hem allemaal gaan vergeten en dat het (tijdelijke) verlies van zijn dagelijkse routine iets permanents wordt.
Maar dus, 2 weken geleden gebeurde het ondenkbare. Lola ging dood. Al zagen we het aankomen, het bleef onverwacht. Iedereen hier thuis, van klein tot groot heeft tranen gelaten. Er werd onderling geknuffeld en getroost. Mooi om te zien ook, hoe in momenten van intens verdriet de stevige basis van ons gezin zichtbaar wordt. Hoe ook de kinderen er voor elkaar zijn. Het geeft hoop naar de toekomst toe, want tussen de chaos, de drukte, het gekibbel en gesnauw is het niet altijd duidelijk dat de liefde groot is.
We gaven het verlies een mooi plekje in een hoekje achterin onze tuin. De kinderen timmerden een houten kruis in elkaar en mooie bloemetjes werden geplant en gezaaid. Foto’s van Lola werden bij elkaar gezocht en slingeren nu rond in huis. Het bewijst dat verlies en verdriet best niet weggestopt en genegeerd worden, maar letterlijk en figuurlijk een plaatsje moeten krijgen zodat het niet persé iets negatiefs hoeft te zijn, maar deel kan uitmaken van het leven.
Ik lig in bad. Schaamteloos te genieten, te voelen hoe de spanning en de stress van de voorbije week wegspoelt. De geur van vers gebakken wafels, sudderend stoofvlees en versgebakken frietjes drijft tot boven. Een bizarre mengeling die me intens gelukkig maakt.
Ik weet dat men beneden bedrijvig in de weer is, terwijl ik boven lig te weken in de warmte. Ik weet dat ze het me gunnen, dat ze het niet erg vinden, dat contrast. Ik denk dat ze me willen verwennen, dat ze oprecht denken dat ik het verdien. Ik voel me gezien, gewaardeerd en geliefd.
Ik lig in bad en bekijk mijn handen. Rode nagels steken fel af tegen het witte badschuim. Net voor ik in bad ging, heeft mijn oudste dochter mij in de watten gelegd met een manicure met een prachtig resultaat. Dit deed ze tussen het kokkerellen door. Haar lief staat nog in de keuken verse frieten te snijden terwijl het stoofvlees op het vuur staat. De jongste dochter legt de laatste hand aan haar wafels. Ze kreeg het recept gisteren nog van mijn grootmoeder en ging er gelijk mee aan de slag. De oudste zoon zit bij het lief en de jongste bij zijn papa.
Na net genoeg tijd, wordt er op de badkamerdeur geklopt. “Binnen tien minuten is het eten klaar.” Ik rep me uit de kuip en haast me naar beneden. Hongerig, niet alleen naar eten, maar vooral naar het gezelschap van mijn dochters. De tafel is netjes gedekt. De bordjes gevuld. Er wordt gepraat. Écht gepraat. Ik bedenk me wederom dat dit de momenten zijn waaraan ik dacht toen ik kinderen wou.
Dit is zo’n moment waarop je ongeduldig hoopt tijdens die helse eerste kinderjaren, wanneer ze klein zijn, druk zijn en je constante zorg nodig hebben. Ze zijn ouder nu, het zorgende moeder-zijn is grotendeels voorbij. Ik heb meer en meer het gevoel dat ik hen echt iets kan bijbrengen, iets kan leren én dat ze luisteren. Ik bedenk me dat ze me ook begrijpen zonder dat ik iets hoef te zeggen. Zo voelden mijn twee dochters woordenloos aan dat een dagje niks doen, een dagje niet zorgen exact was wat ik nodig had. Het leven loopt hier de laatste tijd niet altijd van een leien dakje. Pleegzorgperikelen en puberhormonen enzo …
En zoals je weet: een moeder kan niet gelukkiger zijn dan haar kind dat het het moeilijkst heeft.
Ik hoop dat ik mijn dochters, door schaamteloos in bad te liggen weken en me ongegeneerd door hen te laten verwennen, leer dat het ok is om tijd voor jezelf te nemen. Dat moe zijn en het beu zijn mag, maar dat je er wel zelf iets moet aan doen. Want hoe geëmancipeerd de buitenwereld ook mag lijken, de vrouw is en blijft de drijvende kracht in het merendeel van de huishoudens.
Ik hoop dat ze weten dat ik ongelooflijk fier op hen ben en apprecieer wat ze allemaal doen. Het zijn zelfstandige juffrouwen geworden die weten wat ze willen en dat ieder op hun manier duidelijk maken. En ja, op een dag als vandaag, besef ik dat ik daar mee heb voor gezorgd. Mission accomplished .
Ik hou niet van wiskunde. Mijn maag draait nog steeds om wanneer ik het huiswerk van mijn kinderen bekijk. In het middelbaar heb ik me erdoor gesparteld, omdat het moest. Ik heb me altijd afgevraagd waarom wiskunde zo onoverkomelijk moeilijk is voor mij. Ik kán studeren. Nooit tweede zit gehad tijdens mijn opleiding vertaler/tolk. Geef me boeken vol tekst, ik krijg het verwerkt. Maar laat me geen formules instuderen of toveren met getallen … Het lukt me niet.
Mijn talenknobbel zal er wel iets mee te maken hebben, maar ook mijn natuurlijke aanleg tot het ‘tussen de regels lezen’. De dingen graag op mijn eigen manier bekijken, anders verwoorden en uiteindelijk een beetje naar mijn hand zetten. Dat gaat niet met wiskunde. Er is geen ruimte voor interpretatie noch discussie. Het is wat het is. Correct of fout.
Een verhaal daarentegen kan je herschrijven zonder dat je de boodschap verandert. Een woord of zin kan je naar een andere taal vertalen, maar bijna elk woord heeft een synoniem dus er zijn meerdere opties. Wanneer je het echt niet weet, kan je een beschrijving geven waardoor men weet wat je min of meer bedoelt. En op school geeft een leerkracht die van goede wil is, je nog een deel van de punten als blijk van bewondering voor je creativiteit en plantrekkerij.
Min of meer … daar gaat het om. Ik ben rap content. Min of meer is meestal genoeg voor mij. Ik heb graag nog wat ruimte om zelf in te vullen. Wanneer het dan niet helemaal naar mijn zin is, kan ik er nog wel een draai aan geven zodat het beter in mijn kraam past. Sommigen zullen het gemakzucht noemen en ik kan hen ook geen ongelijk geven. Ik maak de dingen nu eenmaal liever niet moeilijker dan ze zijn.
En zo heb ik dan genoeg gepalaverd om van wiskunde, via de taal bij pleegzorg terecht te komen. Ik hoef niet persé alle puntjes op de i. Dit is een eigenschap die als pleegzorger van pas komt. In een doorsnee gezin loopt zelden iets zoals gepland, laat staan in een pleeggezin. Een (pleeg)gezin runnen is geen exacte wetenschap, er is doorgaans geen foute of juiste manier. Je doet dit volgens mij best op het gevoel.
Zijn mijn kinderen gelukkig? Zijn we als ouders gelukkig? Wat hebben mijn kinderen nodig? Welke aanpak werkt bij de ene, maar niet bij de andere? De antwoorden op deze vragen zijn niet eenduidig. Ze kunnen verschillen van persoon tot persoon, van dag tot dag. Dit kunnen aanvaarden en bereid zijn om flexibel mee te evolueren met de noden van je gezin, maakt het leven er een pak makkelijker op, denk ik.
Het hoeft niet allemaal van een leien dakje te lopen. Een min of meer vlotte gang van zaken is meer dan voldoende. Zo ook hoeven de kinderen die je opvoedt niet persé 100% van jou te zijn. Wanneer ze min of meer de jouwe zijn, is dat misschien meer dan voldoende om ze de liefde en warmte te geven die ze zo nodig hebben.
In ons gezin bijvoorbeeld is drie vierde 100% van ons. Wiskundig gezien is dit 75%. Dit heb ik trouwens helemaal zelf uitgerekend. Met de regel van 3.
Voor het eerst in bijna 8 jaar – zo lang is onze pleegzoon bij ons en zo oud is hij ook – sta ik met mijn mond vol tanden. Ik weet echt niet wat te zeggen, hoe te reageren.
“Waarom heeft mama D mij gedumpt?”
Gedumpt. Ons ventje denkt dat hij zoals het grof huisvuil op straat werd gezet.
Deze vraag, heel concreet, moet ik even laten bezinken. Tegelijk vallen de puzzelstukjes in elkaar. Zijn moeilijkere gedrag de laatste weken thuis, op school, in de kinderopvang. Slechter eten, slechter slapen … Met deze vraag geeft hij het antwoord. Mijn gedachten draaien op volle toeren, net zoals de zijne blijkbaar, al langere tijd.
Wat moet ik zeggen om die negatieve gedachte uit zijn hoofd te krijgen? En snel, want hij blijft me aankijken met een vragende, haast dwingende blik. Ik slik de krop in mijn keel weg, neem diep adem en doe een poging.
“Mama D heeft jou niet zomaar gedumpt. Ze wou eerst zeker weten dat een ander gezin goed voor jou kon zorgen. Ze heeft L van pleegzorg gebeld en pas toen ze wist dat je bij ons kon komen wonen, is ze weggegaan.”
Zoals altijd wekt elk antwoord weer een nieuwe reeks vragen op. “
“En heeft ze mij daarna nooit meer willen zien? Kan ze nog altijd niet voor mij zorgen? Kan ik later wel bij haar gaan wonen? Heeft ze nog andere kindjes? Wonen die wel bij haar? Waarom … ? Wanneer … ? Hoe … ?
Vraag per vraag, antwoord per antwoord probeer ik hem te kalmeren. Tevergeefs, want elk antwoord doet hem in tranen uitbarsten. Elk antwoord brengt hem nog meer in de war. Hij duwt me weg en zegt dat hij mama D wil. Hij wil bij haar zijn.
“Heb je haar telefoonnummer? Dan kan ik haar bellen en zeggen dat ik van haar houd, want dat weet ze nog niet.”
Slik. Hoe graag ik ook zou willen, dit kan ik niet zelf beslissen. Ik schuif de verantwoordelijkheid van me af en zeg dat we dat aan L van pleegzorg en papa Chel moeten vragen. Dit antwoord geeft hem hoop en brengt hem eindelijk een beetje rust.
Ondertussen heb ik ook het fotoboekje bovengehaald met die ene foto van hem en mama D. Er staan 100 foto’s in, maar alleen die met zijn mama interesseert hem. Hij kijkt en kijkt en valt uiteindelijk in slaap met het boekje op zijn borstkas stevig vastgeklemd. Wanneer ik zeker ben dat hij diep genoeg slaapt, verhuis ik naar mijn eigen bed, want ondertussen is het zelfs voor mij al ver voorbij bedtijd.
‘s Ochtends maak ik hem wakker. Een hele karwei na zo’n kort nachtje. Hij sputtert tegen, kruipt weg onder het donsdeken, zeurt, wordt boos én blijft boos. Ik had niks anders verwacht na zijn vragen en verdriet van gisteren, maar toch vraag ik hem waarom hij zo kwaad is. Met grote verontwaardiging zegt hij: “Altijd wanneer het kei spannend is, maak jij mij wakker.”
Ik lach. Dit was niet het antwoord dat ik verwachtte, maar het stelt me wel gerust. Niet alles wat hij doet, zegt of voelt moet herleid worden tot zijn pleegzorgverhaal. Soms is hij ook gewoon kwaad omdat mama hem wakker maakt op het spannendste moment van zijn droom …
“Wauw, mama, kijk hoe mooi de lucht is.” Mijn hart maakt een sprongetje. En vervolgens een dubbele salto wanneer een stemmetje “Oh ja, echt práchtig!” toevoegt. We zitten in de auto op weg naar school. De jongste dochter naast mij. De jongste zoon achterin. De lucht kleurt inderdaad prachtig roze, zelfs een beetje paars.
“Jouw lievelingskleur, mama.”
Eindelijk, denk ik bij mezelf. Ein-de-lijk is het gelukt om mijn kinderen de schoonheid rondom zich te laten zien. De schoonheid der simpele dingen. Bij de oudste twee lijkt die missie minder geslaagd. Wanneer ik hen wijs op een mooie wolkenformatie of op de maan die als een enorme witte bol aan de hemel staat, kijken ze even op van hun scherm en mompelen iets dat als een bevestiging kan geïnterpreteerd worden. Onze pubers zitten zo opgesloten in hun eigen wereldje dat al die pracht en praal aan hen voorbij gaat. Jammer vind ik dat.
Het heeft me dus twee kinderen ‘gekost’ om mijn doel te bereiken. Misschien is het omdat ik nu ouder ben, beduidend rustiger en daardoor zélf meer oog heb voor al het schoons dat de aarde en het leven te bieden heeft én hen er ook op wijs. Toch één ding dat ik opvoedingsgewijs voor elkaar gekregen heb, want oprommelen, de lichten doven en de deuren achter zich sluiten, zijn dingen die ik hen tot op heden nog niet heb kunnen aanleren. De afwasmachine leeg maken én ook weer vullen met het vuile gerief dat op het aanrecht staat. Het gaat er bij hen niet in. Schoenen uitdoen en jas aan de kapstok evenmin. Soit, ik wijk af.
Het is grappig dat onze zevenjarige, die voor de rest een vrij beperkte woordenschat heeft, vlotjes woorden als verrukkelijk, prachtig en adembenemend uitspreekt. Hij ziet schoonheid en benoemt het. Net als onze jongste dochter. Zij denkt in beelden en kan ze ook heel gedetailleerd beschrijven. Wanneer ze dan (soms iets te) uitgebreid vertelt, komt die schoonheid bovendrijven en wordt duidelijk dat ook zij het mooie in de dingen herkent.
De oudste zoon heeft ADHD waardoor heel veel zaken aan hem voorbij gaan. Hij raast door het leven aan zo’n immens tempo dat veel voor hem verloren gaat. Hij komt vaak uit de lucht gevallen wanneer hij iets te weten komt dat we nochtans binnen ons gezin besproken hebben. Hij is aanwezig, maar sommige dingen dringen niet tot hem door. Zo merk ik dat de simpele, maar zo mooie details hem niet opvallen. Laten we hopen dat zijn kijk met het opgroeien verruimt en hij ook leert genieten van die kleine details die het leven kleur geven.
De zeventienjarige dochter is een twijfelgeval. Ze lijkt de schoonheid van de kleine dingen niet op te merken. Op het eerste zicht besteedt ze er weinig aandacht aan. Wanneer ik dan op haar Instagram een foto zie verschijnen van een prachtige zonsondergang, weet ik dat ze het wél ziet, maar er gewoon geen woorden aan vuil maakt.
Dit alles bedenk ik me. Op een doordeweekse dinsdag op weg van school naar kantoor. Dankzij de paarse lucht waar mijn twee jongste kinderen me op wezen terwijl ik in mijn hoofd al een to-do-lijstje aan het opstellen was voor de werkdag die nog moest beginnen. Dankbaar dat ik dankzij die twee kleine koters enkele minuten heb genoten, voldoende om de dag met een glimlach aan te vatten.
Wist je dat er in het Spaans een woord bestaat voor de lucht die roodachtig kleurt door de zon? Arrebol, zo noemen ze het. Echte levensgenieters, die Spanjaarden. Adiós!
Ja, jongen. Als je ze heel zorgvuldig uitkiest, kunnen ze uitkomen.
Ons ventje bedoelde het natuurlijk niet zo. Hij droomt de laatste tijd nogal vaak en veel. ’s Ochtends vertelt hij dan enthousiast wat hij die nacht beleefd heeft. Of hij maakt me midden in de nacht wakker om vol vuur te vertellen over dinosaurussen, oceanen, vulkanenuitbarstingen, hevige branden en brandweerwagens die hij zelf bestuurde… Het kan allemaal in zijn dromen.
Hij wou gewoon weten of hij die knotsgekke, nachtelijke avonturen ook in het echte leven kan meemaken. Nu komt het voor zo’n ventje wel op hetzelfde neer. Voor een zesjarige zijn dat de dingen waar hij van droomt, de avonturen die hij wil waarmaken.
Het was meteen ook de aanzet tot een geanimeerd gesprek met de rest van het gezin.
Wat zijn jullie dromen? Met leeftijden tussen de 6 en 16 krijg je heel uiteenlopende antwoorden. Best wel interessant.
De negenjarige dochter droomt ervan om bekend te worden en ooit mee te spelen in #likeme. Ze werkt ook hard om die droom te laten uitkomen. Ze volgt muziekles, dans- en acteerles. Heerlijk om te zien hoe ze op die leeftijd weet wat ze wil en er vol voor gaat.
De dertienjarige zoon wil een bekende youtuber worden zodat hij ook met een Lamborghini kan rijden en hele dagen kan vullen met de meest onzinnige dingen. Af en toe zie ik een filmpje van hem waarin hij vlogt. Hij is duidelijk nog op zoek naar zijn eigen stijl, maar hij pakt op beeld. Dus wie weet …
De zestienjarige dochter bekijkt het allemaal gelukkig een beetje realistischer. Ze is volop op zoek naar zichzelf, verandert af en toe van richting, maar laat regelmatig een glimp zien van de fantastische jongedame die ze zal worden. Ze kan niet echt antwoorden wanneer ik naar haar dromen vraag, maar ik gok erop dat zij de meeste kans maakt om ze waar te maken. Het is een harde werker, dus zodra zij weet wat ze wil, zal ze er ongetwijfeld alles aan doen om dat te bereiken.
En dan volgt onvermijdelijk diezelfde vraag aan ons. Waar dromen jullie van, mama en papa?
De grootse plannen die we twintig jaar geleden samen maakten zijn ondertussen gerealiseerd of een work in progress. We wilden de wereld zien, dus profiteerden we van onze vrijheid voor we aan kinderen begonnen. We droomden van een groot gezin en dat viel zelfs nog iets groter uit dan initieel bedoeld. Nu de kinderen ondertussen iets ouder zijn, pikken we wat dat reizen betreft de draad weer op. Ook op professioneel gebied loopt voorlopig alles zoals gepland.
Dat betekent nochtans niet dat we geen dromen meer hebben, integendeel! Ik merk dat er nu meer ruimte komt voor onze individuele dromen. Waar we vroeger samen doelen stelden, kunnen we nu voorzichtig weer een beetje aan onze eigen weg timmeren. Leren zeilen, een boek schrijven, een muziekinstrument leren spelen, … We blijven plannen maken en proberen die tot een goed einde te brengen, maar we zijn tevreden met waar we nu staan. En wanneer we op één van de vele zwoele zomeravonden samen naar de hemel staren en een vallende ster zien, doen we – nog steeds – elke keer opnieuw dezelfde, simpele wens.