Mijn vent en ik, we kennen elkaar al lang. Bijna ons hele leven. We delen heel veel herinneringen, het grootste deel van onze levens loopt gelijk.
Ik was zijn eerste echte lief, hij het mijne. De eerste met alles erop en eraan, als je begrijpt wat ik bedoel. We kenden elkaar, waren vrienden, maar in de zomer van 1997 werden we een beetje meer. Op chirokamp in Opglabbeek, 24 juli.
Ik was toen niet echt happy, sinds de scheiding van mijn ouders was het leven moeilijk. Maar hij liet me weer lachen, gaf me hoop. Zijn weelderige krullenbol, zijn heerlijke lippen, zijn humor en nonchalante joie de vivre gaven mij opnieuw zin in het leven, oog op een toekomst, een kans op gewoon gelukkig zijn.

We werden samen volwassen, maakten fouten, leerden bij, vielen en hielpen elkaar weer recht. We maakten liefde, maar ook ruzie, we hielden van elkaar, haatten elkaar, zagen een stukje van de wereld, genoten samen van het leven, kochten een hond, bouwden een huis, kregen kinderen … 1,2,3 en 4.
En nu, zoveel jaren later, zitten we in onze doorgezakte zetel, de kinderen boven in bed en we zeggen tegen elkaar: “Hoeveel geluk hebben wij nu toch.” We kijken elk jaar in augustus naar de Franse sterrenhemel en bij iedere vallende ster doen we samen, doch in stilte dezelfde wens: “Dat alles mag blijven zoals het is.”
We zijn tevreden, meestal. We zien elkaar graag, altijd. We gaan er samen voor, als het moet.
Hij maakt mij nog steeds gelukkig, doet me nog elke dag lachen en beseffen dat het leven mooi is. Hij helpt me mijn dromen waar te maken en ik mag alleen maar hopen dat dat wederzijds is.
Sus, ik zie je graag!

